Je lichaam maakt door de diabetes te weinig insuline aan. Daarom heb je extra insuline nodig. Dat kan met een insulinepomp. Dit apparaat draag je altijd bij je. Via een canule onder je huid geeft de pomp steeds kleine hoeveelheden insuline. Dit heet een infuus setje. Deze zit dan aangesloten met een slangetje aan de pomp. Sommige pompen hebben geen slangetje maar alleen een canule onder de huid. Pompen werken samen met een sensor in hybride Closed Loop. Op deze pagina lees je meer over deze behandeling.
Hoe werkt een insulinepomp?
Een insulinepomp geeft de hele dag kleine beetjes snelwerkende insuline. Dit heet basale insuline of microbolussen. Je gebruikt dan geen langwerkende insuline meer.
Tussendoor kun je zelf extra insuline geven, bijvoorbeeld voor het eten of als je bloedsuiker te hoog is. Dit heet een bolus. De pomp rekent voor je uit hoeveel insuline je nodig hebt. Je vult in hoeveel je gaat eten en wat je glucosewaarde is. Je kunt de hoeveelheid ook zelf aanpassen, bijvoorbeeld als je gaat sporten of ziek bent.
De verschillen tussen behandeling met een insulinepen en pomptherapie
- Nauwkeurige toediening- Met een pomp kun je kleinere beetjes insuline geven dan met een pen.
- Gebruik van een canule in de huid– in plaats van insuline toedienen met de pen meerdere keren per dag, vervang je meestal 1 keer per 3 dagen je infuus setje of canule waardoor de insuline wordt toegediend.
- Altijd dragen– Je draagt de pomp de hele dag. Soms kunnen anderen de pomp zien.
- Goed controleren– Je controleert of de pomp en het infuus setje/ de canule goed werken. Als dat niet zo is, kun je te weinig insuline krijgen en ziek worden.
- Bolussen bij elke maaltijd– Je geeft voor de koolhydraten die je eet een bolus op de pomp. Met de pen moet je voor elke maaltijd de pen klaarmaken en insuline toedienen.
Samen met jouw diabetesverpleegkundige kijk je welke methode geschikt is voor jou.
Meer informatie
Wil je meer weten over behandeling met een insulinepomp? Jouw kinderdiabetesverpleegkundige kan je er alles over vertellen.